De Gemeente des Heeren en de eenheids des geloofs. In de Handelingen der Apostelen en in de overige brieven van het Nieuwe Testament staat vermeld dat de gelovigen bijeen kwamen en plaatselijk een gemeenschap vormden; De Gemeente des Heeren. [Efeze2:20] Een gemeente gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is. De Bijbel spreekt hier over: [Efeze4:4-5-6] Eén lichaam, één Geest, één Hoop, één God en Vader van allen. Die daar is boven allen en door allen en in u allen. En op een andere plaats over: [Joh.10:16] Eén kudde en één Herder. Daarom zijn de Gemeente des Heeren, die verspreid zijn over de vier winden der aarde, één. Zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament wordt geschreven over het Boek des Leven, dat in de hemelen wordt bewaard. Het nieuwe Leven, dat van boven is en door wedergeboorte ontvangen wordt, houd voor de verlosten in, dat hun namen geschreven worden in [Luk.10:20] het Boek des Levens. En daarin kan en mag een ieder verblijd wezen, wiens naam alzo in de hemelen opgetekend is. Naast dat het Nieuwe Testament zegt, dat de namen van de kinderen Gods geschreven staan in het Boek des Levens, vermeldt zij ook: [1Cor.3:16] Dat Gods kinderen de Tempel des levenden Gods zijn en voegt zij daaraan toe: Want dit is het verbond dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere. [Hebr.8:10] 

Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en in hun harten zal Ik die inschrijven. En Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Verder staat er geschreven: [2Cor.6:18] En Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere de Almachtige. Zo wordt dat ook beleefd in de Gemeente des Heeren en ervaren het als een grote genade, die toegebracht is door het verlossende bloed, dat de Heere Jezus op het kruis van Golgotha voor de zonden vergoten heeft. De leden in de Gemeente des Heeren zijn broeders en zuster van elkaar, in de Heere omdat zij allen kinderen van dezelfde Vader zijn geworden en Hem ook als zodanig, een ieder persoonlijk kennen. De Bijbel bevestigd dat ook in het Nieuwe Testament, waar geschreven staat: En zij zullen niet leren een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder, zeggende:Ken de Heere. [Hebr.8:11] Want zij zullen Mij kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen. Als de broeders en zusters bijeen komen, mogen zij aan de diensten [1Cor.14:26] deelnemen met een lied of gebed, met een getuigenis, woord of profetie. Er zijn voorgangers die 'voor' dienen te gaan (in woord en daad) en ook de diensten leiden. Het Nieuwe Testament handelt over het Nieuwe Leven door Jezus Christus voor Jood en Heidenen. 

Niet over een vorm van Goddienst noch over verschillende richtingen, waardoor men zalig kan worden, maar over de zaligmakende genade door het bloed van Jezus Christus. De Apostel Paulus schrijft daarover aan Titus als volgt: Want de zaligmakende genade is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons dat wij , de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en Godzalig leven zouden in  [Titus 2:11- 12] deze tegenwoordige wereld. [13- 14]  Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze zaligmaker, Jezus Christus. Die zich voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons verlossen zou van alle ongerechtigheid en zichzelve een eigen volk zou reinigen. 

In de Gemeente des Heeren ervaart men dat de leden deel uitmaken van één lichaam, waarvan de Heere Jezus Christus het Hoofd is. Dat zij allen één geloof deelachtig geworden zijn en de dat één Geest van één God hen tezamen bindt door het verlossingswerk van één Heere, de Zoon van God. Zij geloven, dat zij door Goddelijke liefde vrij gekocht zijn en dat zij [1Cor.13:1 t/m 13] ook in hun persoonlijk leven de werken der liefde moeten aandoen, 1opdat alzo de vrucht der liefde bij hem persoonlijk en bij de Gemeente des Heeren gevonden wordt. Zij kunnen, een ieder persoonlijk, getuigen dat zij in de Heere Jezus Christus veranderde mensen geworden zijn, niet uit eigen verdienste, maar door de verleende en aanvaarde genade. Zij bezitten ook een levende hoop en zo zij die hoop tot het einde van hun leven vasthouden, zo zal deze verwisseld worden in aanschouwen, door tot in alle eeuwigheid verenigd te mogen zijn met hun Heere en Zaligmaker.